Op 6 juni 1944 begint de langverwachte strijd om West-Europa. Op de stranden van Normandië slaat de grootste invasiemacht ooit een bruggenhoofd en begint de geallieerde opmars naar België, Nederland en uiteindelijk Duitsland. In het Oosten rukken de Russen op. Na de verovering van Parijs op 4 augustus en Brussel op 3 september kijken de Nederlanders reikhalzend uit naar de intocht van de bevrijders. Het leidt op 5 september tot emotionele taferelen en blinde paniek bij Duitsers en collaborerende Nederlanders, later bekend geworden als Dolle Dinsdag.

In Londen roept de Nederlandse regering spoorwegmedewerkers met het codebericht "De kinderen van Versteeg moeten onder de wol" op tot een grote staking, om zo het Duitse troepentransport stil te leggen. Zo'n 30.000 werknemers duiken onder en lopen zo overigens ook niet langer het risico om door geallieerde vliegtuigen onder vuur genomen te worden. De Duitsers zetten voortaan hun eigen treinen in om hun manschappen te vervoeren.

Maar na een mislukte luchtlandingsoperatie bij Arnhem blijft de geallieerde troepenmacht in september steken bij de Rijn. Zuid-Nederland wordt met harde gevechten bevrijd, maar de overige provincies gaan een bijzonder zware winter tegemoet. De Duitsers weigeren hun treinen in te zetten voor de bevoorrading van de hongerende bevolking. Verzetsdaden beantwoorden ze voortaan met terreur. Als repressaille worden arrestanten of zelfs willekeurig opgepakte burgers geëxecuteerd.