Nadat de Duitse bezetters in 1940 al begonnen waren Joden steeds meer uit te sluiten van het openbare leven, worden de gevolgen nu voor iedereen goed merkbaar. Joden zijn verplicht om een Davidsster op hun kleding te dragen en in de zomer van 1942 worden de eerste razzia's gehouden. Huwelijken tussen Joden en niet-Joden worden verboden en ook worden Joden verplicht om alle bezittingen boven 250 gulden in te leveren.

Terwijl in Berlijn het uitroeien van Europese Joden wordt besproken beginnen in Nederland de deportaties via Westerbork naar Auschwitz. Over Radio Oranje roept minister-president Gerbrandy Nederlanders op om zich te verzetten tegen de Duitse maatregelen. In Utrecht richten studenten een verzetsgroep op die Joodse kinderen helpt ontsnappen aan de treinen naar het oosten. Ze regelen onderkomens en voedsel en redden zo honderden kinderen van een wisse dood.

Ook voor andere burgers verhardt het leven zich. Er heerst voedselschaarste en voor de winkels staan tegenwoordig lange rijen. Voor de beruchte Atlantik-Wall, de Duitse verdedigingslijn die van Noorwegen tot aan Spanje liep, wordt nu ook de Nederlandse kust ontruimd. Patiënten van de psychiatrische inrichtingen komen terecht in de Willem Arntszhoeve in Den Dolder, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden moeten zien te overleven.

Na de Japanse aanval op Pearl Harbor eind 1941 verklaart de Nederlandse regering in Londen de oorlog aan Japan. In Nederlands-Indië worden alle mannen tussen zestien en zestig jaar gemobiliseerd in het Koninklijk Nederlands-Indisch leger. In januari valt Japan Indië aan en na twee maanden moet het KNIL zich overgeven. De Japanners maken een eind aan het Nederlandse koloniale bestuur, en vervangen dat door een waar schrikbewind. Wie te weinig 'Indisch bloed' heeft wordt in kampen geïnterneerd, vrouwen en mannen apart.